Magazine | Vragenderwijs: Identiteitsvragen bij uiterlijke gelijkenis met adoptieouder

Vragenderwijs: Identiteitsvragen bij uiterlijke gelijkenis met adoptieouder

Michael is adoptievader van Beatrice, die als 4 maanden oude baby bij hen is gekomen via de Nederlandse procedure. Ze is inmiddels 13 jaar en zit in de brugklas. Beatrice heeft een Surinaams-Javaanse achtergrond en omdat Michael zelf van Indonesische afkomst is lijken ze qua uiterlijk best op elkaar. De lastige vragen over geadopteerd-zijn zijn daardoor meestal achterwege gebleven, maar ouders merken dat Beatrice nu zelf toch met wat identiteitsvragen worstelt. Ze is erg stil en gesloten, soms op het sombere af en af, en een enkele keer roept ze ineens boos: “Jullie zijn mijn echte ouders niet eens!” De ouders vragen zich af hoe ze hiermee om moeten gaan.

Na wat verder doorgepraat te hebben over hoe Beatrice in elkaar zit, waar ze van houdt en wanneer het lukt om met haar in gesprek te raken, realiseert vader zich dat hij altijd goede ingang met Bea had tijdens het uitlaten van de hond. Ze deden dat voorheen vaak samen, maar dat is wat verwaterd. Misschien is het een goed idee om haar weer eens te porren voor een flinke wandeling met de hond? De nazorgwerker doet nog wat suggesties over hoe vader het onderwerp zou kunnen aankaarten, door zichzelf als voorbeeld te nemen toen hij in de puberteit begon te komen. In gesprek met de nazorgwerker lukt het vader om zich in te leven in zijn dochter, hoe moeilijk het voor haar moet zijn om volop te beseffen dat ze afgestaan is, DNA heeft van mensen die ze niet kent, zonder dat anderen dat van haar weten. Vader realiseert zich dat dit waarschijnlijk heel tegenstrijdige gevoelens met zich meebrengt die voor haar nog lastig onder woorden te brengen zijn. Het kan haar wellicht helpen als hij een ‘voorzetje’ doet, bijvoorbeeld door te zeggen: “Ik kan me voorstellen dat je je soms ook best alleen of ‘anders’ voelt.”