Magazine | Eugénie Smits van Waesberghe: ‘Ik wil dat er erkenning komt’

Eugénie Smits van Waesberghe: ‘Ik wil dat er erkenning komt’

Tekst Angela Jans

Nadat in 2010 haar adoptievader was overleden, ging Eugénie Smits van Waesberghe (53) op zoek naar een gespecialiseerde therapeut omdat ze de rouw niet op eigen kracht kon verwerken. De therapeut bracht haar terug bij het allereerste verlies aan het begin van haar bestaan. Achteraf was dat misschien wel dé aanzet voor haar boek ‘Schoot vol tranen’, dat ze onlangs heeft gepubliceerd. Het resultaat van vier jaar lang onderzoek naar de binnenlandse adoptiepraktijken in 20e-eeuws Nederland, met speciale aandacht voor de gang van zaken in doorgangshuis Moederheil in Breda.

“Dankzij de therapeut kwam ik erachter dat ik aan het zoeken was naar een basis die er niet is. Ik vroeg: ‘Hoe moet ik dit oplossen?’ Hij zei: ‘Het is een gat dat niet verdwijnt maar je kunt er wel voorzichtig omheen lopen en het onderzoeken.’ Toen ben ik op zoek gegaan naar mijn persoonlijke geschiedenis, en naar later bleek, die van veel andere Nederlanders die zijn opgegroeid in de 20e eeuw. Vier jaar lang ben ik alle denkbare confrontaties met mezelf en het verleden aangegaan. Het was hard werken maar ik wist: dit is mijn weg. Eigenlijk wist ik altijd al dat ik hierover zou gaan schrijven.”
Eugénie is in januari 1965 geboren in Moederheil, een instelling in Breda waar ongehuwde vrouwen kwamen om te bevallen. Twaalf maanden later werd ze geadopteerd. Niet veel later kreeg ze een tien maanden jongere broer, eveneens geadopteerd. Het gezin was liefdevol maar adoptie bleek geen gemakkelijk onderwerp van gesprek te zijn.
“Ik wist niets over mijn biologische moeder, behalve dat ze zielig was en geen centjes had, dat was het. Verder stelde ik geen vragen. Later zei ik er eens wat over op school, omdat we een babyfoto mee moesten brengen, die had ik niet. ‘Dat komt omdat ik geadopteerd ben’, verklaarde ik in de klas. Daar werd ik op aangesproken door mijn moeder: dat moest ik niet meer zeggen, dat was niet fijn voor mijn broertje. Die opmerking heeft enorme consequenties gehad voor mijn ontwikkeling en de relatie met mijn moeder. Want ik had een schreeuwende behoefte om het er wél over te hebben. Het gevoel dat ik nooit de dochter ben geweest die zij wilde, was er altijd. Terugkijkend was ik een kind met hechtingsproblematiek waar totaal geen begeleiding voor was.”

Omkeerboek: roman én getuigenissen

Als Eugénie aan haar zoektocht begint, merkt ze al snel dat haar verhaal niet op zichzelf staat. Ze komt niet alleen in contact met lotgenoten, mensen die net als zij in Nederland zijn geboren en afgestaan ter adoptie, ze spreekt ook vrouwen die in Moederheil als (kraam)verzorgster werkten, afstandsouders, adoptieouders, deskundigen en andere betrokkenen. Deze gesprekken noemt ze getuigenissen en die heeft ze op twee verschillende manieren verwerkt in haar boek. ‘Schoot vol tranen’ is vanaf de ene kant een roman en vanaf de andere kant, na omkeren van het boek, een verslag van de interviews, de getuigenissen.
“Het idee om het op te splitsen in twee delen ontstond nadat sommige mensen hun verhaal bij nader inzien toch niet gepubliceerd wilden zien omdat ze er zelf van schrokken of bang waren voor de consequenties”, aldus Eugénie. Daarom goot ze dat in een romanvorm, ‘fictie’, maar gebaseerd op ware gebeurtenissen. Het andere deel van het boek, met de ondertitel ‘Ooggetuigen’, bestaat uit interviews met onder anderen een groepsverzorgster, psycholoog, medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, geadopteerden, afstandsmoeders en een afstandsvader. Om het boek hanteerbaar en toegankelijk te maken voor iedereen is ervoor gekozen om de integrale bijdragen van deskundigen en andere zaken die door haar zijn uitgediept, online te plaatsen op de website van het boek.
De beide adoptieouders van Eugénie en haar biologische moeder zijn inmiddels overleden. Haar biologische vader ontmoette ze twintig jaar geleden voor het eerst en hij ontving het eerste exemplaar van het boek uit handen van de schrijfster, zijn dochter. Het tweede was voor D66-Tweede Kamerlid Vera Bergkamp, die door Eugénie nadrukkelijk is betrokken bij het onderwerp en die in politiek Den Haag opkomt voor deze groep binnenlands geadopteerden. Want Eugénie wilde niet alleen een boek schrijven, ze wil vooral ook dat er aandacht komt voor haar bevindingen.

Zogenaamd vrijwillig afstand gedaan

“Ik wil dat er erkenning komt. Ik wil dat iedereen weet wat er is gebeurd. Mijn wens is dat je snapt wat de impact is geweest van deze geschiedenis, dat mensen beseffen dat geadopteerd zijn meer is dan nieuwe ouders krijgen. In de periode tussen 1956 en 1975 zijn duizenden Nederlandse vrouwen gedwongen om afstand te doen van hun kind. Zogenaamd vrijwillig, maar dat was niet zo. En nergens is een gedenkplek voor deze geschiedenis, nergens een moeder-kindmonument waar je naartoe kunt om te delen wat je samen hebt meegemaakt. Door de jaren heen is bevestigd dat dit met tenminste 15.000 kinderen is gebeurd. Ik denk dat het er nog meer zijn. Afstandsvaders, afstandsmoeders, afstandskinderen, geadopteerden: iedereen meegerekend hebben we het over ruim 60.000 direct betrokkenen.”
Verder wil ze dat de overheid diepgaand onderzoek gaat doen naar wat er destijds allemaal is voorgevallen. “Talloze dossiers zijn vernietigd, besturen van de instellingen – niet alleen doorgangshuizen maar ook reguliere ziekenhuizen en kraamklinieken ¬– waren extreem terughoudend in het delen van informatie over de praktijken die plaatsvonden. Er is zo ontzettend lang over gezwegen dat je sterk het vermoeden krijgt dat er tot de dag van vandaag dingen verborgen worden gehouden.”

Persoonlijke geschiedenis

Zelf heeft ze de eerste 21 jaar van haar leven gezwegen over haar adoptie. “Toen werd ik gevonden door mijn biologische moeder. Zij had mij gezocht en gevonden. In eerste instantie wilde ik haar niet zien, want ik was extreem loyaal aan mijn adoptieouders. Pas toen mijn adoptiemoeder zei: ‘Misschien moet je het doen’, heb ik een afspraak gemaakt. Ik vond het heel knap van mijn adoptiemoeder dat ze dat tegen me zei, want ik wist dondersgoed dat zij bang was dat het tot nóg meer verwijdering tussen ons zou leiden.”
“Mijn biologische moeder vertelde me dat ze niet lang na de bevalling naar Moederheil was gegaan om te zeggen dat ze me terug wilde. Ze had mijn vader weer ontmoet en hem verteld dat ze een kind van hem had gekregen. Daarop had hij haar ten huwelijk gevraagd. Ze overwogen mij op te halen en een gezin te vormen. Het liep totaal anders. In Moederheil werd beweerd dat ik al geadopteerd was, terwijl ik daar een jaar ben geweest. Uit mijn dossier blijkt dat de kaarten allang waren geschud. Later ontmoette ik ook mijn biologische vader. ‘Waar was jij?’, vroeg ik hem. Hij was erg aangeslagen en zei dat hij aan de kant was geschoven.”
“Opmerkelijk was dat ik veel van mezelf in hem herkende, hetzelfde postuur, hetzelfde koppie en hetzelfde temperament. Bijzonder was ook dat hij naast een biologisch kind twee adoptiekinderen bleek te hebben. We hebben veel gepraat, goede gesprekken gevoerd en op een dag heb ik het gevoel uitgesproken dat ik graag bij hem had willen opgroeien, bij iemand op wie ik echt lijk. Hij nam die opmerking in ontvangst, zonder commentaar. Dat was zó helend, dat gun ik iedereen.”
“We hebben geprobeerd een vader-dochterrelatie te krijgen maar daarvoor was het te laat. Dat kon niet meer na 33 jaar. Het is geen romantisch verhaal. Soms voel ik heimwee naar iets wat nooit zal zijn. Dat ik niet de enige ben, maakt het verschil.”

Meer informatie over ‘Schoot vol tranen’ (ISBN: 978-90-829460-0-0. NUR-code: 320): www.schootvoltranen.nl.